timeflies

De laatste treinreis naar huis. Het seinhuis. (Alle treinen zijn stoptreinen.)

Liefde is het sleutelwoord (slechts een woord dus). Het is de onderlinge, wederzijdse verbondenheid die de liefde gestalte geeft, aandacht schenkt, in stilte belichaamt.

Vandaag zou ze 90 jaar geworden zijn. Het feest zou overmorgen hebben plaatsgevonden, samen met haar. De viering vindt morgen plaats, wij zullen spelen (ik in mib majeur). Wat zou ze hiervan denken? Schouderophalend een glimlach toveren, die alles en niets zegt, verklaart? Een eenvoudige tevredenheid, om jaloers van te worden? Haar relativeringsvermogen (zowel in positieve als negatieve zin) heb ik (via haar) wellicht meegekregen. Anti-opportunistisch. Men komt er niet ver mee, vandaag. En dan? Wat is jouw standpunt? Maar wat zijn meningen waard op de tijdslijn die wij voorgeschoteld krijgen?

Alle dingen en gebeurtenissen zijn verweven met elkaar in de mate waarin wij dat wensen.

De afstand die ik tot het leven bewaar: heen of terug (op een treinticket staat ‘heen’, ofwel ‘heen en terug’). Nestwarmte opsporen, liefde verifiëren, de waanzin samenvatten. Nachtwerk voor gevorderden. Men kan niet eindeloos strafschoppen trappen.

Mogelijke bijwerkingen. Regen en belastingen. Alsof bestaat niet. Het doek zal vallen. Kansloos.

In de stemming eigen aan de eind-juni-periode, is het best, om niet teveel na te denken. Zetel in, hond aan m’n zij, voetbal. Maar tijdens deze vooropgestelde configuratie geschiedt uiteraard het tegenovergestelde: hersenarbeid overkomt me, overvalt me. De sfeer doorbroken, weg. Gewaarwordingen uitgeschakeld: weemoed verjaart, zorgen verstreken, het is warm noch koud. Sloom de avond in, met 0-1 in de achtergrond. Alsof ik onbewust maar tegelijkertijd met voorbedachte rade een gewenst effect bekrachtig.

Nog geen egel gezien dit jaar. Kramplachen: een zeldzaamheid. Rimpels die je niet meer telt. Weinig teleurstellingen, tegenstellingen. Amper het huis verlaten, Shadoh lacht in zijn vuistje. Een algoritmisch leven dat bepaalde vaardigheden vereist, maar het zijn de chronische tekortkomingen die beetje bij beetje zelforganiserend worden.

Als men weet dat er iets bijzonders of iets betekenisvol zal plaatsvinden, dan worden de zintuigen – gedurende de tijdsduur die eraan voorafgaat – automatisch aangescherpt. Het papiertje van het laatste snoepje (met haar gedeeld) wordt zorgvuldig opgeborgen. Foto van mezelf genomen (doe ik nooit – meer), ingesteld als profielfoto. Kwestie van deze bewuste dag vast te leggen, te grijpen enigszins. Maar de tijd ontsnapt altijd. Grappenmaker nummer één. De roos die geplukt wordt, komt in een vaasje met water terecht, om nog even de geuren en kleuren te delen met mij. Het is dié ene roos, die de sterfdag kenmerkt, vertegenwoordigt, uitbeeldt. Een kaartje voor haar verjaardag, voortijdig bezorgd, uit voorzorg, alsof zij wist wat er zou plaatsvinden vandaag. Om heel erg stil van te worden. Herinneringen duiken op en verdwijnen weer. Alles een beetje op z’n kop, toch wel. Het zijn gewaarwordingen waarop men niet kan vooruitlopen. Ze overweldigen, maken het misschien wat makkelijker allemaal. Met een mens verdwijnt een leven, een episode, een kortverhaal. De geleefde tijd, het zijden draadje en het volstrekte niets… De intensiteit en het absurde schijnen onverenigbaar maar ze gaan hand in hand, zijn omnipresent, vergezellen ons. Zoals muziek. En Shadoh, die weet nergens van. Springt vrolijk op, geeft kusjes… Coetzee heeft gelijk als hij zegt dat je er idioot uitziet als je een hond afweert (probeert af te weren in mijn geval). Hondius trouw aan mijn voeten. Een zekerheid. Warmte ook, voldoende om de nacht in te kruipen. Over alle andere gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden vandaag en over alle toekomstigheden die misschien of waarschijnlijk zullen deel uitmaken van mijn stukje leven, wil ik even niet meer nadenken. Ik denk alleen aan moemoe. 25/06/2021

Wachten… Zelfs de Oriënt-Express had vijf uren vertraging, naar verluidt… Die prachtige oude wagons getrokken door de 1862 (onbegrijpelijk, eigenlijk)… De nacht was niet koud maar wel eenzaam, daarom duurt het wachten veel te lang…

Geen bezoek. Mogelijke coronabesmettingen. Te oud om ernstig ziek te worden, om het te begrijpen. Alsof ze achterlijk zijn, alleen willen achter blijven. En wij (potentiële virusdragers, warmhouders), wij komen niet. Breken niet in. Kijken weg, naar nergens. Wachten af. Ze stellen het redelijk. Wij schrijven een jaar later. Het lichaam zegt ontegensprekelijk: nee. Genoeg geleden, gelachen, niets gedaan. We haasten ons. Net niet te laat, bijna. Afscheid nemen. Een beetje praten over het dagelijkse leven dat ons vreugde schenkt, lastig valt, onze tijd beneemt. Een helder moment. Intens. Wellicht de laatste woorden die we zachtjes delen. Dag zeggen. Tot gauw! De daaropvolgende dag op dezelfde wijze. Geen mirakels meer, geenszins. Wij komen. Kijken haar aan, indringend. Wachten heeft geen zin meer. Ze stelt het niet goed. Vandaag.

Van wagon naar wagon. Tussentijd in de doorloopkop. De trein is altijd een beetje reizen.

‘Alles goed?’ en ‘het gaat niet goed’ behoren tot de verst gevorderde abstracties. (Losgeslagen uit de werkelijkheid.)

Het vertrek en de excitatie. De aankomst of de grondtoestand. (p & q) & (r v s). Arsis – thesis. Geboren worden, sterven. Daartussenin de treinreis. Alle treinen zijn stoptreinen. Men kiest zijn/haar station, maar niet de terminus. Vertragingen liggen steeds buiten onze macht. “Men weet (soms) wanneer men vertrekt maar nooit (precies) wanneer men aankomt.” (Een medereiziger uit eerste klasse.)

Dezelfde richting, maar niet (nooit) samenvallend. Overal dezelfde tussenruimte. Zoals treinsporen en parallelle octaven. Waar zijn de dwarsliggers? Tegenspoor of doodspoor?

Zelfs als de trein stilstaat is hij ‘drager van beweging’.

Het komt erop aan de doelloosheid te voorkomen.

In geval van radeloosheid, beroering, nervositeit, beklemming, verdwazing, verontrusting of onduidelijkheid: raadpleeg de dienstregelingen, altijd! A la gare comme à la gare.

Zelfmedelijden. Onontbeerlijk. Men kan er beter niet genoeg van krijgen (om op een vrij convenabele manier het leven door te komen).

Als de wolken niet al te donker zijn, als de zon af en toe komt piepen, als er zich niet al te veel (sociale) verplichtingen in het vooruitzicht bevinden, als de prognoses (verzin ze maar) gunstig lijken, als de migraineaanval uitblijft, als een onbekende je vriendelijk een welgemeende ‘goeiedag’ toeknikt, kortom als de meeste (niet eens voornaamste) zaken rondom je een zekere voldoening schenken, dan denk je op zulke (uiterst sporadische) momenten: zo is het goed, meer hoeft het allemaal niet te zijn. Dergelijke oogwenken verouderen waar je bij staat. (De tijd vliegt!)

Ik ben klokvast als een trein. En hondstrouw bovendien.

Mijn allerbeste vriend (Shadoh, natuurlijk) zoekt me, springt over de draad (kampioen hoogspringer) en komt me uitgelaten tegemoet. De trouw en integrale overgave treffen me telkens weer. Wat is mijn aandeel? Louter het aanbieden van voedsel en onderdak? Of ook de talloze liefkozingen, aaiingen, toegevingen? Ben ik vervangbaar (voor hem)? Enkele weken geleden vertelde iemand mij dat een hond die twee jaren (zijn eerste twee levensjaren) heeft doorgebracht in een bepaald gezin, zomaar kan worden overgeplaatst naar een ander gezin zonder al teveel moeilijk- en ongemakkelijkheden – hierbij verondersteld dat beide gezinnen hem de nodige liefde en warmte schenken. Een situatie die ik mij niet kan indenken, omdat ik mezelf onmisbaar acht. Deze vraag zal voorgoed onbeantwoord blijven.

Moet je iedereen het voordeel van de twijfel geven?

Het zoveelste hartje – nooit teveel noch genoeg – om het mijne te (ver)vullen – (ver)tikker gejaagd verhit – een hyperventilatie waardig.

Ik vraag me af, waarom bepaalde klachten verdwenen zijn. Is er een placebo-effect opgetreden? Hebben de klachten spontaan een einde genomen? Alle hypochondrieën op een stokje. (Als mijn afspraak bij de dokter vastligt, gaat het meestal al opmerkelijk beter. En toch schijnt de zaak niet opgelost. Geen exacte wetenschap.) Nog een andere kwestie: als mensen kennis nemen van slecht nieuws, bijvoorbeeld een ziekte- of sterfgeval in de kennissenkring, dan lijken die mensen opgelucht (andere emoties, zoals medeleven en zorgzaamheid niet uitgesloten), omdat dit nieuws hen niet toekomt. Ik ervaar in zulke situaties net het omgekeerde: binnenkort is het wellicht mijn beurt. Als ik deze bezorgdheid uit, dan krijg ik meestal het antwoord ‘weet je, de kans is bijzonder klein dat je iets gelijkaardigs overkomt’. Die ‘bijzonder klein’ stel ik dan geheel uit eigen beweging gelijk aan ‘mogelijk’. Denkbaar, eventueel, potentieel, gebeurlijk, bestaanbaar. Stel je maar eens voor, dat je meespeelt met de Lotto en het grootste bedrag plotsklaps wint! Dan begrijp je wat ik precies bedoel.

Het slotakkoord: een vertraging (die niet oplost).

Zoals de hond thuis blaft, blaft hij overal. Wij blaffen mee, in een andere toonaard. En we maken een onderscheid: hier blaf je zus, daar blaf je zo. Meer nuances, zorgvuldig gekozen of als een teken van nalatigheid, zwakte. Schone schijn: hier draait het om, omdat we deel zijn van een spel, telkens anders (met andere regels, welteverstaan)! Men zegt wel eens dat een vogel zingt zoals hij gebekt is. ‘Zichzelf zijn’ … Het vraagt moed! Zou een hond te allen tijde ‘zichzelf zijn’? Wat hij niet kan, is veinzen dat hij veinst. Zoals de (meeste) Vlaamse acteurs bijvoorbeeld. Overacting. Zoals we thuis blaffen, blaffen we nergens. (Per slot van rekening, maar goed ook?)

Vooraankondigingen en achterafbeschouwingen. Men kan ze beter niet vergelijken. Een vertraging voorspellen, heeft weinig zin. (Ik hou van vertragingen.) Wat bedoelt men feitelijk als men zegt ‘ik ga de trein nog halen’? En wat bedoelt men feitelijk als men zegt ‘ik ga de trein nog missen’? (Ik mis de trein vaak.)

Wij verwachten veel. Het mogelijke, het noodzakelijke en het onmogelijke. Verwachten stel ik (op dit moment) gelijk aan wachten. Totdat het gewenste zich openbaart. Als het verwachte niet wordt ingewilligd, blijft het wachten een feit, waaraan ik geen waardeoordeel zal verbinden (een rationele bepaling die mijn gevoel – wellicht een teleurstelling – tegenwerkt). Daarom lijkt het me beter niet meer te wachten (en dus verwachten). Als het gewenste opnieuw opduikt in mijn gedachten, zal ik voldaan terugblikken op de wachttijd die ik inmiddels zal hebben ingehaald. Een stukje tijd dat dus (waarschijnlijk) niet heeft plaatsgevonden. Het valt moeilijk in te schatten of dit nu een goede zaak is, of net niet.

Vandaag kwam mijn lieverd Shadoh onmiddellijk naar me toegelopen – iets wat hij normaal gesproken niet doet omdat hij graag met zijn vrienden blijft stoeien. Ik zag twee open wonden in de zone tussen rug en buik. Het arme dier wilde zelfs bij thuiskomst de wagen niet uit … Gelukkig konden we terecht bij onze dierenarts. Verdoven. (Naar huis gaan.) Hechten. Wachten totdat hij ontwaakt. (Nog steeds thuis.) Minuten kruipen voorbij – een onweerlegbaar bewijs dat de tijd niet (altijd) vliegt! Het regent, tegen de klok in. Zijn natte vacht droogt op als (voorlopig) laatste herinnering: strelingen over zijn versufte donshoofd, liggend op die ongemakkelijke tafel. Integrale overgave, wankelen bleek geen optie, de aarzeling voorbij. Ik wil het graag vergeten, maar dat lukt niet meteen. Daarom heeft men wellicht het concept ‘tijd’ uitgevonden (niet alles heeft een louter pragmatische grond, laat staan achtergrond): om allengs het gebeurde te kunnen transformeren, tot iets dat ons als ‘eerder abstract’ toeschijnt.